Toen ik klein was, droomde ik van andere sterrenstelsels.
Ik dacht dat ik, terwijl ik sliep, iemand anders was.
Aan de andere kant van de wereld.
Toen ik klein was en ik op mijn bed lag, kon ik op alle plekken in mijn lichaam zijn.
En ook daarbuiten. Boven mijn lichaam zweven — wat een leuk spel.
Toen ik klein was zag ik mijn opa en oma gewoon zitten tijdens de begrafenis.
En ik dacht; waarom maken we er niet gewoon een feestje van?
Toen ik een jaar of tien was, voelde ik boosheid en verdriet.
Waarom leeft iedereen gewoon zijn leven?
En als dat alles is - wat betekent het dan?
Nu ik groot ben, sta ik naast mijn kleine ik.
Ik sla een arm om haar heen.
Deze verwondering is er nog steeds.
En nu geef ik haar een vorm.